| Poster | | Topic: Bestaat er een God? |  |
| | voetballert | | jezus christus Vedette
Vak: - Posts: 2309 Reg.: 18 september 2004 |
quote: OrCristian schreef:
Ik vind het een beetje sneu om met alle macht te gaan proberen het Christendom op basis van wetenschap onderuit te halen. Voor mij staat vast dat de Bijbel (en de Koran, en de Tora en weet ik veel wat voor geschriften) boeken zijn waarvan men veel kan leren, niet alleen over hoe te leven maar ook omtrent het verklaren van culturen etc.
Voor mij, als kind van twee redelijk gelovige, protestante ouders, is God iets heel anders dan een entiteit die ergens boven of onder ons 'woont'. God is voor mij het leven, mijns inziens niet iets dat je moet aanbidden maar wel iets om te respecteren. Niet iets om je regels op te laten leggen maar iets om je leven naar in te richten op de manier die jou het beste lijkt voor jezelf en alles en iedereen om je heen.
Het probleem is dat ik er van overtuigd ben dat Jezus en alle andere profeten hiervan ook uitgegaan zijn, maar dat uitspraken op papier gezet zijn en nooit geƫvolueerd. We lezen met zijn allen teksten die duizenden jaren geleden zijn opgeschreven, waarschijnlijk deels verkeerd vertaald zijn en binnen een compleet ander tijdsbeeld bedacht zijn.
Je kunt wel zeggen dat de Islam een achtergesteld geloof is, maar het Christendom is dat net zo goed. Verschil is alleen dat in Christelijke culturen men zich steeds minder is gaan aantrekken van het Christelijke geloof (met enkele uitzonderingen, ga maar eens naar het zuiden van de USA), maar diegenen die nog steeds puur naar de regels van de Bijbel leven zijn net zo goed achtergesteld als degenen die dat naar de regels van de Koran doen.
Conclusie: Darwin of God, waarom niet allebei?
het is denk ik geen poging om iemands persoonlijke geloof onderuit te halen, dat is al te simpel. nee, het is veeleer de bedoeling om aan te geven - althans dat gebeurt alhier - waarom het een of het ander onzin is.
feit is dat beiden niet mogelijk is omdat er een te groot verschil is tussen creatie en evolutie, tenzij je de mening toegedaan bent dat god de natuur is. dan heb je het weer over een hele andere theorie. een theorie die evolutie wel degelijk erkent en tegelijkertijd ergens begonnen is en ook wel ergens zal eindigen...van oersoep tot verdamping en implosie...
|
| | OrCristian Vedette Hompie Ā©
Uit: Utrecht Vak: Geen Seizoen Club Card Posts: 10473 Reg.: 6 juni 2000 |
quote: jezus christus schreef:
(...)
tenzij je de mening toegedaan bent dat god de natuur het leven is.
En die 'mening' ben ik toegedaan. Blijkt ook duidelijk uit mijn post, dacht ik zo.
|
| | JANPIETERSZOONCOEN Jeugdspeler
Uit: ROTTERDAM Vak: - Posts: 52 Reg.: 4 maart 2008 |
quote: OrCristian schreef:
quote: Je kunt wel zeggen dat de Islam een achtergesteld geloof is, maar het Christendom is dat net zo goed. Verschil is alleen dat in Christelijke culturen men zich steeds minder is gaan aantrekken van het Christelijke geloof...
Dat klopt toch echt niet Orc, kijk maar gewoon om je heen. Hoe islamitischer een samenleving is, hoe achterlijker... terwijl je dat bij (joods-)christelijke samenlevingen niet kunt zeggen, vaak zelfs integendeel!
Het feit dat in het christendom (samenleving) een scheiding van kerk en staat bestaat en in de islam dat nooit mogelijk is (sharia is namelijk God“s wetten) zal een islamitische samenleving altijd achterlijk blijven, tenzij moslims de koran, de hadith en andere bronnen minder serieus gaat nemen en dus feitelijk afstand doen van het “moslim zijn“.
quote: Conclusie: Darwin of God, waarom niet allebei?
Dat kan absoluut in het christendom, kijk maar naar de humanisten en wetenschappers van eeuwen geleden. Er is namelijk een fundamenteel verschil tussen geloof en religie (bij het laatste is sprake van een institutie dat dogma“s heeft opgelegd)
|
| | OrCristian Vedette Hompie Ā©
Uit: Utrecht Vak: Geen Seizoen Club Card Posts: 10473 Reg.: 6 juni 2000 |
quote: JANPIETERSZOONCOEN schreef:
(...)
Lees mijn post nou eens fatsoenlijk en helemaal, want je antwoord raakt kant noch wal.
Ik geef toch DUIDELIJK aan dat de samenleving waarin het Christendom de grootste godsdienst is wƩl verder geƫvolueerd is, maar het geloof op zich niet? Waarom dan toch die datzelfde weer opmerken? Ik weet nu wel dat je iets tegen Moslims hebt, en ik denk mijn mede-forumleden ook wel.
Verder zeg ik niet dat het Christendom en Darwin samen kunnen, maar dat God en Darwin samen kunnen. En als je mijn posts fatsoenlijk had gelezen had je dat er ook uit op kunnen maken.
|
| | JANPIETERSZOONCOEN Jeugdspeler
Uit: ROTTERDAM Vak: - Posts: 52 Reg.: 4 maart 2008 |
quote: OrCristian schreef:
quote: Lees mijn post nou eens fatsoenlijk en helemaal, want je antwoord raakt kant noch wal.
Ik geef toch DUIDELIJK aan dat de samenleving waarin het Christendom de grootste godsdienst is wƩl verder geƫvolueerd is, maar het geloof op zich niet? Waarom dan toch die datzelfde weer opmerken? Ik weet nu wel dat je iets tegen Moslims hebt, en ik denk mijn mede-forumleden ook wel.
Lees jij dan ook een eens mijn antwoorden, aangezien ik helemaal niets tegen moslims heb, wel tegen islamisering en een samenleving gebaseerd op de islam.
Bovendien maak ik DUIDELIJK dat het christelijke geloof wel verder is geevolueerd, wat jij dus niet vindt.
quote: Verder zeg ik niet dat het Christendom en Darwin samen kunnen, maar dat God en Darwin samen kunnen. En als je mijn posts fatsoenlijk had gelezen had je dat er ook uit op kunnen maken.
Zeg ik dat dan?
Over lezen gesproken....
|
| | AS SC Etienne Vedette
Vak: Geen Seizoen Club Card Posts: 3355 Reg.: 18 december 2002 | JANPIETERSZOONCOEN, ik vraag mij af of jij hebt gehoord van de investituursstrijd. Daar begon de scheiding van staat en kerk in de Westerse geschiedenis. Als deze er niet was geweest waren wij ook niet verder gekomen dan veel Islamitische landen nu op dat gebied. En om nou te zeggen dat het een vanzelfsprekend iets was dat deze investituurstrijd er is gekomen... Wat ik dus wil zeggen is dat wij blij mogen zijn dat de Duitse koning in opstand kwam tegen de Paus, want dit was een erg opzienbarend en raar moment in de geschiedenis.
En probeer eens een democratie te vestigen in landen waar al minstens 2000 jaar geen democratie is voorgekomen. In de Westerse wereld heeft het ook meer dan 2000 jaar geduurt voordat wij een volledige democratie hadden na de Grieken (waarbij hun democratie ook niet overal door was gedrongen in elke bevolkingslaag).
Wil jij graag zien dat er ook een democratie komt in Islamitische landen? Zo ja, dat kan gebeuren, maar gezien hun achtergrond kan je je hiermee wel gaan haasten, maar hier volgt of tegenwerking op, of niemand houdt zich daaraan. Kijk maar naar Irak. Zoiets is niet in ƩƩn, twee, drie op te lossen.
De Irakezen zijn deze week (misschien wel al langer) trouwens zelf bezig om hun land te ontdoen van allerlei terroristen en mensen die niet mee willen werken aan een nieuw Irak.
Iran is weer een apart geval: voor Khomeini waren Westerse landen aanwezig in Iran. Je had toen Iraneze die gewoon hun ding deden toen, maar er waren ook Iranezen die keer op keer tegen de praktijken van de Engelsen aanliepen. Vind je het gek als de Engelsen het verkloten in Iran, zij niet erg gesteld zijn op Westerse mogendheden? Om nog niet over de Russen en Amerikanen te hebben na WOII. Dan kan men nog wel zeggen dat Khomeini nog niet hoefde te komen met zijn anti-westerse propaganda, maar dat is nou eenmaal zo. Dat land heeft zich zo vervreemd van de Westerse wereld, waardoor het moeilijk is om daar iets te bereiken.
|
| | Bestlander Vaste waarde in elftal
Uit: Wateringen Vak: - Posts: 1574 Reg.: 27 mei 2007 |
quote: boca junior schreef:
Is de Bijbel historisch correct?
Wetenschappelijk onderzoek toont bijbelse tegenstrijdigheden. Deze lijst werd opgesteld op basis van het artikel "Vertoog over de god van het christendom" van (ex-jezuĆÆet) Prof. Dr. Etienne Vermeersch, aangevuld n.a.v. discussies met creationisten. Creationisten zijn christelijke fundamentalisten die beweren dat de bijbel het woord gods is waaraan niet te tornen valt. Zij geloven in een letterlijke interpretatie van de bijbel en negeren de bewijskracht van de evolutiewetenschappen (genetica, ethologie, evolutietheorie, geologie, paleo-antropologie, biochemie enzovoort). Creationisten vormen echter een kleine minderheid onder de christenen, en zijn vooral sterk vertegenwoordigd in het zuidelijke deel van de Verenigde Staten. Typisch creationistische groeperingen zijn de getuigen van Jehovah, de mormonen en bepaalde strekkingen binnen het protestantisme. Binnen het katholicisme vormt het creationisme een zeer kleine minderheid, in 1996 verklaarde de paus immers publiek dat 'de evolutietheorie meer is dan enkel een theorie'. Voor de meeste christenen vormen deze tegenstrijdigheden niet echt een probleem voor hun geloof. Voor hen hebben bijbelse teksten eerder een symbolische waarde.
1. DE OPSTANDING VAN JEZUS
Geen enkele ernstige geschiedkundige en zelfs vele theologen twijfelen niet aan het mytische karakter van de opstanding. Laat de tegenstrijdigheden voor zich spreken:
VERSIE PAULUS: (teksten opgetekend ca. 50 - 56 n.C.): Bij Paulus staat er dat Jezus begraven is, dat hij de derde dag volgens de schriften verschenen is aan Petrus, aan de 12, aan 500, aan Jacobus, aan de apostelen en aan Paulus zelf. Dus geen vermelding van plaats of tijd, en geen leeg graf.
VERSIE MARCUS: (teksten opgetekend ca 69-70 n.C.) krijgen we een beschrijving van de begrafenis en het wikkelen in een lijkwade, door Jozef van Arimathea, met de 2 Maria's als getuigen.
De zondag gaan drie vrouwen naar het graf om hem te balsemen (alsof hij nog niet gebalsemd was door Jozef van Arimathea!).
"De zon is juist op"
"De steen is weggerold"
VERSIE MATTHEUS: (teksten opgetekend ca 80 n.C.) Mattheüs volgt gedeeltelijk Marcus, maar voegt er iets aan toe: het is een smetteloze lijkwade en een nieuw graf.
De zondag komen de 2 Maria1s naar het graf (geen drie, zoals bij Marcus)
Er is een aardbeving (geen enkele van de drie andere evangelisten en geen enkele historicus of astronoom weet iets van die aardbeving - ook legendarisch dus)
Een engel daalt uit de hemel, rolt de steen weg en gaat buiten op die steen zitten.
Bij Marcus zit er ƩƩn engel in het graf, nu zit er ƩƩn engel buiten op de steen van het graf.
VERSIE LUCAS: (teksten opgetekend ca. 80 - 90 n.C.) is het helemaal andersom.
Heel vlug is er een verschijning van Jezus aan de leerlingen van Emmaüs, dan aan Petrus, en aan de elf. Hij toont zijn handen en voeten, hij eet voor hun ogen. Nog dezelfde dag vaart hij ten hemel. Er zijn dus geen verschijningen in Galilea.
Kortom, volgens Marcus en Mattheüs zijn er alleen verschijningen aan de leerlingen in Galilea. Volgens Lucas kunnen er alleen geweest zijn in Judea! Versie Johannes (teksten opgetekend ca. 90 - 110) heeft Jozef van Arimathea met 100 pond(!) welriekende kruiden het lichaam gebalsemd. Men vraagt zich af waarom die vrouwen (bij Mc en Mt) nog willen gaan balsemen, aangezien ze het gezien hadden!
Maria Magdalena komt nu alleen bij het graf (er is geen sprake van andere vrouwen).
Het is nog donker (bij Marcus was de zon net op).
Er is geen aardbeving (zoals bij Mattheüs)
Er zijn geen engelen aanwezig (volgens de andere evangelisten wel)
Deze tegenstrijdige versies tonen duidelijk aan dat er van onfeilbare goddelijke inspiratie geen sprake kan zijn, maar dat dit het resultaat is van menselijke verhalen die ontstaan zijn in de tradities van verschillende kerken en religieuze gemeenschappen, die toen bestonden.
2. DE STAMBOOM VAN JEZUS
Volgens Paulus (ca 20 jaar na de dood van Jezus) is Jezus naar het vlees geboren uit het zaad van David (ek spermatos Dawid).
Volgens Mattheüs en Lucas (30/40 jaar later) is hij geboren uit een maagd; daar kan dus van het sperma van David geen sprake zijn.
Mattheüs en Lucas voegen daar nog iets komisch aan toe. Ze stellen een stamboom van Jezus op, maar het is de stamboom van Jozef, waarvan ze zelf beweren dat hij niet de vader is! Tot overmaat van ramp zijn die stambomen totaal uiteenlopend: de vader van Jozef heet volgens de ene Jacob en volgens de andere Elie. Dat gaat dan in twee verschillende reeksen - ze komen samen bij Zorobabel en Salatiël, en gaan dan weer uiteen, om via twee verschillende zonen bij David terecht te komen.
Bij Mattheüs zijn er 25 schakels tussen Jozef en David, bij Lucas zijn er 40 schakels. Dat bewijst dat er een grote behoefte was om van Jezus een zoon van David te maken en daarvoor vinden ze om het even wat uit.
3. DE PREDIKING VAN JEZUS
Volgens Mattheüs, Marcus en de Handelingen begint Jezus te prediken nà de gevangenneming van Johannes de Doper (zie bv. de uitspraak in de Handelingen die daar aan Paulus wordt toegeschreven en duidelijk impliceert dat Jezus na Johannes kwam (19,4; vgl. ook 13,24).
Volgens Johannes begint Jezus te prediken vòòr diens gevangenneming. Dat Jezus en Johannes op een bepaald moment nog samen optraden, vindt men in Joh. 3, 22-24.
Volgens Lukas 7, 18-23 is het niet duidelijk dat Johannes reeds gevangen is, als hij zijn leerlingen naar Jezus stuurt, maar de vergelijking met Matt. 11, 2 suggereert dit wel; voor het begin van de prediking van Jezus, zie ook Matt. 4, 12-17. Voor Mc zie 1, 14.
4. JEZUS GEBOORTE: 4 vòòr Christus en in 6 nà Christus?
Volgens Mattheüs is Jezus geboren onder Herodes de Grote (denk aan de moord op de onnozele kinderen1). Nu, Herodes is gestorven in 4 vòòr Christus.
Maar volgens Lucas is Jezus geboren naar aanleiding van een volkstelling van Quirinius (legaat van Syrië). Quirinius is legaat van Syrië geworden in 6 nà Christus.
Hoe kan Jezus geboren zijn 4 vòòr Christus en 6 nà Christus?
5. BIJBELSE MIRAKELEN?
Met betrekking tot mirakelverhalen zeggen christenen dat god deze kan laten gebeuren omdat god almachtig is. Dit is echter een schijnoplossing, want waarom zou god dan de wereld niet in ƩƩn dag kunnen gevormd hebben, of waarom zou god dan geen koning van de Filistijnen in Palestina hebben kunnen doen wonen vijfhonderd jaar voor de Filistijnen er toekwamen?
Mirakelen worden door de geschiedenis heen voortdurend toegeschreven aan iemand met status, gezag en prestige. Van Boeddha werd eveneens gezegd dat hij op het water kon lopen. Van Boeddha alsook van Jezus werd gezegd dat zijn op het water konden lopen. Welk criterium heeft men om uit te maken of de ene het hon en de andere niet?
7. HET ZWAARD OF DE VREDE?
Lucas: "vrede op aarde aan de mensen van goede wil" (bij de geboorte): er staat ook dat allen die naar het zwaard grijpen door het zwaar zullen omkomen.
Mattheüs: "denk niet dat ik gekomen ben om de vrede te brengen, ik ben gekomen om het zwaard te brengen".
8. HOEVEEL ENGELEN
Hoeveel engelen bevinden zich rond het graf bij de verrijzenis van Jezus volgens de vier evangeliƫn?
Marcus: 1 engel zit binnen (in het graf) (Mc 16, 5)
Mattheüs: 1 engel zit buiten op de steen van het graf (Mt 28, 1)
Lucas: 2 engelen staan binnen in het graf (Lc 24, 1)
Johannes: aanvankelijk geen engelen, wat later 2 engelen binnen (Joh 20, 1-12)
Bovenstaande tegenstrijdigheden zijn reeds zo overduidelijk en doorslaggevend dat we kunnen besluiten dat er van goddelijke onfeilbare inspiratie geen sprake kan zijn en de bijbel onbetrouwbaar is.
9. Is de MOORD OP DE ONNOZELE KINDEREN1 werkelijk gebeurd? (Mt 2, 16-18)
De moord op de onnozele kinderen1 wordt niet vermeld bij de geschiedschrijver Flavius Josephus. Nochtans bespreekt hij in ongeveer 100 bladzijden(!) talloze misdaden van Herodes.
10. DE VOORSPELLINGEN VAN JESAJA
Een boek dat als Gods woord de zuivere waarheid zou moeten uitdragen, bevat reeds manifest onwaarheden in de opgave van de auteurs van de diverse werken. Het schrijft boeken toe aan Salomon en psalmen aan David, hoewel ze honderden jaren na hen geschreven zijn. Teksten staan op naam van een profeet hoewel er in ver uiteenliggende perioden aan gewerkt is (bv. Jesaja). Profetieƫn komen uit omdat ze werden geformuleerd na de besproken gebeurtenissen en vervolgens aan een vroegere profeet toegedicht (bv. Daniƫl).
11. JOHANNES DE DOPER SLECHTHOREND?
Bij de vier evangelisten vindt men teksten waaruit blijkt dat Johannes de Doper goed moest weten dat Jezus diegene was die na hem in Gods naam kwam. Zo is er bij het doopsel van Jezus een stem uit de hemel die zegt: "Deze is mijn welbeminde zoon in wie ik mijn welbehagen heb" Als Johannes de Doper dat gehoord heeft weet hij waaraan zich te houden.
Nochtans staat bij Mattheüs als bij Lucas dat Johannes de Doper zijn leerlingen naar Jezus stuurt en vraagt: "zijt gij het die komen moet of moeten we een ander verwachten?" Die stem uit de hemel had hem hiervan toch reeds op de hoogte gebracht?
12. GEBOORTE VAN JEZUS IN BETHLEHEM?
Volgens Mattheüs - als je aandachtig leest - woonden de ouders van Jezus eerst in Bethlehem en pas na de terugkeer uit Egypte1 gaan ze naar Nazareth, "uit vrees voor Archelaus, de zoon van Herodus".
Volgens Lucas woonden ze aanvankelijk in Nazareth en gaan ze - net vòòr de geboorte - naar Bethlehem wegens een volkstelling.
Mt en Lc willen eigenlijk aantonen (na zijn dood) dat hij de Zoon van David is. Bethlehem was de stad van David; dus MOET hij geboren worden in Bethlehem. Ze gebruiken een verschillende techniek om hem in Bethlehem te laten geboren worden. De ene door zijn ouders daar te laten wonen, de andere door een volkstelling: de doelstelling wordt gerealiseerd, maar de middelen zijn tegenstrijdig.
Jezus was een Galileeƫr, vermoedelijk in Nazareth geboren.
13. EEN VOLKSTELLING VAN QUIRINIUS?
De volkstelling van Quirinius, waarbij de mensen naar het dorp van hun voorouders moesten gaan, heeft nooit plaatsgevonden en is dus legendarisch. Overigens, over welke voorouders zou het gaan en hoe zou men hun plaats van oorsprong kennen in een tijd waar nog geen sprake was van burgerlijke stand?
14. Het verhaal van DE OVERSPELIGE VROUW uit het Nieuwe Testament ("wie zonder zonde is werpe de eerste steen" :
Creationisten proberen met deze passus meestal het gebod van god uit het Oude Testament af te zwakken dat een vrouw moeten worden gestenigd indien zij vòòr haar huwelijk geen maagd meer is . Voor christenen is het NT doorslaggevend en zou het verhaal van de overspelige vrouw, die gered wordt door Jezus wanneer zij op het punt staat te worden gestenigd door mannen, het gebod uit het OT opheffen. Deze vluchtweg valt weg aangezien dit verhaal zeker niet van Jezus is maar van latere datum, een latere toevoeging aan de bijbel (wat je zelfs expliciet in de voetnoten van de bijbel kan lezen). Dit verhaal vindt men ten vroegste in teksten vanaf 5e eeuw nà Christus.
Wat in het NT precies van Jezus komt, wat hij heeft gezegd, weten we niet. Men had in die tijd de neiging om zaken die mooi klinken aan hem toe te schrijven. Dit is het gevolg van de idolatrie van zijn volgelingen.
15. DE WET onderhouden of niet onderhouden?
Mattheüs (5,17): "er zal geen iota of stip van de wet veranderen. Eerder zullen hemel en aarde vergaan, eer er een iota of stip van de wet verandert".
Paulus (Galaten): "als gij uw heil in de wet zoekt, hebt ge met Christus gebroken, hebt ge de genade verbeurd".
Paulus (Romeinen): "ik beweer dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden".
16.DE SCHEPPINGSMYTHEN: het ontstaan van de wereld
Wanneer men het ontstaan van de wereld tracht te verklaren, doet men beroep op Genesis (het scheppingsverhaal). Problematisch wordt het als je creationisten de vraag stelt welk scheppingsverhaal in Genesis we moeten geloven: het ene maakt melding dat de mens geschapen is NA de dieren (Gen 1), het andere dat de mens geschapen is VOOR de dieren (Gen 2):
Genesis hoofdstuk 1 (het eerste scheppingsverhaal)
God schept de planten (Gen 1, 11-12)
God schept de zon en de maan (Gen 1, 14-18)
God schept de dieren (Gen 1, 20-24)
God schept de mens, man en vrouw tegelijk (Gen 1, 26-27)
(* De aanduiding "God" is in dit eerste verhaal "Elohim"!)
Genesis 2, 4b-25 (het tweede scheppingsverhaal)
Jahwe boetseerde de mens (Oman1) (Gen 2, 7)
Jahwe liet bomen opschieten (Gen 2, 9)
Jahwe boetseerde alle dieren (Gen 2, 19)
Jahwe vormde uit een rib van de man, een vrouw (Gen 2, 21 -22)
(* Het tweede verhaal spreekt over "Jahwe" niet over "Elohim"!)
Is de mens geschapen nu eigenlijk geschapen VOOR de dieren of NA de dieren?
Doorgaans antwoorden creationisten daarop dat:
Genesis 2 een aanvulling, een verduidelijking is van Genesis 1. Gen. 2 beschrijft een rangorde van belangrijkheid, een hiƫrarchie onder hetgeen er geschapen is". "Het woordgebruik in het ene verhaal is scheppen, in het andere boetseren. Dit is een andere uitdrukking voor scheppen.":
"In Gen 1 gebeurt het scheppen vanuit het niets"
"In Gen 2 zou het kunnen zijn dat hier i.p.v. "boetseren van de dieren" wordt bedoeld het "plaatsen van de dieren" in de hof, waardoor dit tweede verhaal de nadruk legt op de belangrijkheid of hiƫrarchie van hetgeen er geschapen is2.
(noot: dit waren de antwoorden van creationisten tijdens een debatavond tussen neo-darwinisten en creationisten op 31 maart 1999 in Gent)
De creationisten - die anders zoveel belang hechten aan een letterlijke interpretatie van de bijbel - laten ons in dit geval boetseren interpreteren als plaatsen (in een hiƫrarchische volgorde). Er staat niet dat Jahwe de dieren ƩƩn voor ƩƩn plaatst, wel dat hij ze ƩƩn voor ƩƩn boetseert. Er staat ook niets over een hiƫrarchische volgorde, dat is een menselijke interpretatie.
Dat het twee verschillende scheppingsverslagen zijn die niet met elkaar stroken blijkt precies uit het verschil in taalgebruik:
Genesis 1 komt uit een totaal andere traditie binnen het Joods volk, namelijk de priestercodex/"priesterlijke" traditie (ca. einde zesde eeuw v.C.). De aanduiding "God" is in dit verhaal "Elohim" terwijl men in Genesis 2 spreekt over "Jahwe".
Genesis 2 komt uit een Jahwistische traditie die van een totaal andere orde is (ontstaan waarschijnlijk 8e eeuw v.C.). Beide verhalen zijn op een kunstmatige wijze samengebracht vanaf de 5e Ć 6e eeuw v.C. Men kan zich trouwens afvragen waarom er uitgerekend aan het scheppingsverhaal uit de bijbel zoveel geloof wordt gehecht terwijl er talloze soortgelijke myten bestaan die het ontstaan van de wereld pogen te verklaren. Het bijbelse scheppingsverhaal stamt zoals zovele myten uit een tijd dat mensen gewoonlijk beroep deden op primitieve verklaringspogingen zoals myten en legenden.
17. Is GOD ALGOED volgens de bijbel?
De bijbel meldt nochtans goddelijke aansporing tot moord en doodslag:
Wanneer de Israëlieten een stad aanvallen buiten Kanaän, dan zullen ze zich ertoe beperken de mannen te doden; de vrouwen en kinderen mogen ze in slavernij wegvoeren. Zodra ze echter Kanaän zijn binnengetrokken, moeten ze mannen, vrouwen èn kinderen doden; er mag geen levende ziel overblijven, zegt de Heer. (vergelijk: Deut. 20,10 - 19; 2,34; 7,2 en 16 + Ex. 23,23 + Num. 31, 17) Meestal gehoorzamen de Israëlieten voorbeeldig. (vergelijk: Jos. 6, 17-21; 8, 24; 10,28-40; 11, 10)
Iedereen kan de teksten erop nalezen en vaststellen dat dit bevel om zelfs zuigelingen te doden, van God zelf uitgaat en dat hij woedend is als ze het niet uitvoeren. Dat volstaat reeds om te zeggen dat deze god een verachtelijk monster is en dus als volmaakt wezen niet kan bestaan. Het gaat echter over de god van het judaĆÆsme en het christendom en het staat in zijn eigen Openbaring.
Bepaalde christenen proberen dit zelfs te legitimeren door de motieven van god te benadrukken. Hoewel men zich zou moeten afvragen hoe dit te rijmen valt met een liefdevolle, arbarmelijke god.
18. Andere GODDELIJKE voorschriften die blijk geven van ONMENSELIJKHEID
Een vrouw die voor haar huwelijk niet meer maagd is, moet worden gedood
(Deut. 22, 21)
Hoewel sommige christenen van mening zijn dat de bijbel letterlijk moet worden geĆÆnterpreteerd, is het duidelijk dat men deze passus in onze huidige tijd niet zo letter meer neemt. Het slagveld aan vrouwen zou momenteel uiteraard niet te overzien zijn.
Alleen is het niet zo duidelijk wat we nu wel of niet letterlijk moeten interpreteren - de bijbel zƩlf geeft dat niet aan - met als dramatisch gevolg: talloze religieuze bewegingen en sekten die allen denken de waarheid in pacht te hebben.
19. De bijbel (God) keurt slavernij goed en moedigt het zelfs aan:
Oud Testament Nieuw Testament
Gen. 9, 25 1 Tim., 6,1
Lev. 25, 44-46 1 Cor. 7,21
Spreuken, 29, 19 Col. 3,22
Ecclesiasticus 33, 25-29; Eph. 6,5
enz. enz.
Wie zou denken dat het hier om verkeerde interpretaties van deze teksten gaat, zal alle illusies verliezen als hij de commentaren bestudeert die de joodse schriftgeleerden hierbij hebben gemaakt (zie Strack en Billerbeck, Kommentar zum neuen Testament aus talmud und Midrash, IV, 26).
Indirekte gevolgen van deze (goddelijke) teksten zijn onder meer de slavenhandel van Afrika naar Amerika waarbij circa twaalf miljoen mensen in de meest gruwelijke omstandigheden werden overgesleept. Na aankomst was hun gemiddelde levensduur nog amper zeven jaar. (Twaalf miljoen mensen is ongeveer tweemaal zoveel als de nazi1s naar de kampen voerden).
Bepaalde christenen voeren hier weerom tegen in dat dit niet god1s schuld is maar wel die van de mensen, meer bepaald het katholicisme, die god1s woord misbruiken. Klopt, maar het gaat erom dat God - als zo1n almachtig wezen zou bestaan - de slavernij in de bijbel aanmoedigt en tevens al dat leed had kunnen voorkomen door dit uit zijn Openbaring weg te laten.
20. THE MISSING LINK en OVERGANGSFOSSIELEN TUSSEN SOORTEN
Miljoenen fossiele overblijfselen tonen aan dat ontelbare planten en dieren ooit de aarde beheersten en vervolgens weer uitstierven. Van dat alles is in de eerste hoofdstukken van Genesis niets terug te vinden. Vanuit evolutionaire modellen valt dit met andere woorden veel beter te verklaren.
Creationisten werpen ook op dat er een volledig plaatje van geleidelijke overgangen tussen fossielen moet kunnen gegeven worden. Dat is bij definitie onmogelijk aangezien fossilisatie slechts onder bepaalde voorwaarden gebeurt. Zo is zuurstof vaak nefast voor het conservatieproces. Het is onzinnig te veronderstellen dat alles fossiliseert ; de kans dat men over 5000 jaar uw schedel ergens terugvindt is bijzonder klein. Toch hebben we een enorme waaier aan overgangsfossielen gevonden die ontegensprekelijk de biologische evolutie blootlegt. Creationisten aanvaarden dit niet omdat zij dat ervaren als een weerlegging van de bijbel, die voor hun boven alle verdenking en kritiek verheven is. Creationisten houden er trouwens een gekke manier van redeneren op na. Als evolutionisten een overgangsfossiel vinden tussen de Reptielen en de Vogels, dan gaan creationisten een stapje verder : ze vragen dan enerzijds naar het fossiel dat de Reptielen met het gevonden overgangsfossiel verbindt, en anderzijds naar het fossiel dat de verbinding vormt tussen het gevonde overgangsfossiel en de Vogels. Vinden we die, dan gaan ze op zoek naar de gaten tussen die overgangsfossielen. Zij zoeken met andere woorden steeds naar overgangsfossielen tussen overgangsfossielen tussen overgangsfossielen. Een oneinig proces om zich te kunnen immuniseren tegen de wetenschappelijke bewijskracht van evolutie.
De volgorde in Genesis is trouwens foutief. In Genesis 1 is de Zon NA de planten geschapen. Maar planten hebben zonlicht nodig om te kunnen ontstaan en groeien. De zon is dus een noodzakelijk voorwaarde tot plantengroei (fotosynthese) en zou die dus eerder op het toneel moeten verschijnen. Het antwoord van de creationisten daarop is doorgaans dat er al licht geschapen was. Helaas neemt het onmogelijke daardoor alleen maar meer absurde vormen aan. Hoe kan licht bestaan voordat er sprake is van een Zon? Alsof neonlicht bestond voor de uitvinding van de gloeilamp. De oorzaak leggen ze dan bij een schepper, maar dat is echter geen wetenschappelijke verklaringspoging, maar een uitspraak. Bovendien lost dat het probleem niet op : hoe kan zonlicht bestaan voordat er sprake is van de Zon? De zogenaamde schepper is eigenlijk een excuus voor het antwoord dat ze niet hebben. Of, is er dan twee keer licht geschapen? Creationisten wringen zich in allerlei bochten om aan dit soort absurditeiten te ontkomen.
Paulus (Romeinen): "ik beweer dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden".
Nou ik kan op elke zin wel antwoord geven maar nog een keer dan. Nogmaals de bijbel is een geestelijk boek. Jezus is gestorven aan het kruis op het moment dat de Heilige Geest van Hem was geweken, dus moest Hij de satan in zijn eentje overwinnen, aan het kruis, bespot, de pijn etc etc.
Door deze daad zijn de gelovigen in Jezus Christus vrij van schuld, gerechtvaardig door het geloof. De satan had de mens in zijn bezit dat begon in het paradijs en ben je als het ware zijn bezit, volgeling, eigendom dit is wetmatig. Deze wetmatigheid respecteerd God de vader vandaar dat Zijn Zoon Jezus Christus als mens zonder de Heilige geest de satan moest overwinnen. Op die manier kan de mens weer met God leven. Vandaar ook dat Jezus uitsprak in het hof van getsemarne, neem mij en laat hun vrij. Zo is het ook gebeurd. Het offer van Jezus geld voor iedereen die in Hem geloofd, de mens kan weer gemeenschap hebben met God en Jezus Christus, dit na gebed.
Een vrouw die voor haar huwelijk niet meer maagd is, moet worden gedood.
Nog een antwoord, Dit is het oude testament, kijk alleen maar naar Jezus, wat deed en zei Hij tegen de omstanders over de overspelige vrouw.
Er zijn wel tien bijbel vertalingen, soms haal je het antwoord in de grondtekst van de griekse bijbel.
Heeft Jezus (het beeld van God) ooit iemand kwaad of pijn gedaan?
Mattheüs: "denk niet dat ik gekomen ben om de vrede te brengen, ik ben gekomen om het zwaard te brengen".
Het zwaard moet je in deze vergeestelijken. Jezus bedoeld hier mee te zeggen dat zijn woorden en waarheid zal gaan werken als een zwaard dus het splijt een ongelovige met een gelovige al is het je broer. Niet dat Hij dat wil maar het gebeurd.
Verder wat deed Jezus met het oor wat Petrus in het van getsemane afsloeg van een soldaat met zwaard, Hij genas het terwijl de soldaten Hem gevangen kwamen nemen?.
Ik stop, echttttttttttttt sorry weer!
[Dit bericht is veranderd door Bestlander (op 21 mei 2008 18:30:40).]
|
| | De Sigaar Vedette
Uit: Almere Vak: Maastribune - Business seats Posts: 11674 Reg.: 13 maart 2002 |
quote: OrCristian schreef:
Ik vind het een beetje sneu om met alle macht te gaan proberen het Christendom op basis van wetenschap onderuit te halen. Voor mij staat vast dat de Bijbel (en de Koran, en de Tora en weet ik veel wat voor geschriften) boeken zijn waarvan men veel kan leren, niet alleen over hoe te leven maar ook omtrent het verklaren van culturen etc.
Voor mij, als kind van twee redelijk gelovige, protestante ouders, is God iets heel anders dan een entiteit die ergens boven of onder ons 'woont'. God is voor mij het leven, mijns inziens niet iets dat je moet aanbidden maar wel iets om te respecteren. Niet iets om je regels op te laten leggen maar iets om je leven naar in te richten op de manier die jou het beste lijkt voor jezelf en alles en iedereen om je heen.
Het probleem is dat ik er van overtuigd ben dat Jezus en alle andere profeten hiervan ook uitgegaan zijn, maar dat uitspraken op papier gezet zijn en nooit geƫvolueerd. We lezen met zijn allen teksten die duizenden jaren geleden zijn opgeschreven, waarschijnlijk deels verkeerd vertaald zijn en binnen een compleet ander tijdsbeeld bedacht zijn.
Je kunt wel zeggen dat de Islam een achtergesteld geloof is, maar het Christendom is dat net zo goed. Verschil is alleen dat in Christelijke culturen men zich steeds minder is gaan aantrekken van het Christelijke geloof (met enkele uitzonderingen, ga maar eens naar het zuiden van de USA), maar diegenen die nog steeds puur naar de regels van de Bijbel leven zijn net zo goed achtergesteld als degenen die dat naar de regels van de Koran doen.
Conclusie: Darwin of God, waarom niet allebei?
Ik vind dat wel begrijpelijk. Creationisten, Bijbelgeleerden en Gelovigen halen zonder scrupules allerlei wetenschappelijke verklaringen onderuit. Niet alleen over de evolutieleer maar ook over de fysica, de astronomie, de geologie en dergelijke wetenschappen.
Wie zijn zij dan wel te denken dat ze dat kunnen doen met De Bijbel in de hand en niets meer dan dat?
In de middeleeuwen en ook in de renaissance zijn serieuze mensen om die redenen op de brandstapel geraakt of op andere manieren gruwelijk gemarteld en/of monddood gemaakt. Al gebeurt zoiets vandaag de dag niet meer in de Westerse wereld, er wordt door vele fanatieke aanhangers van De Bijbel zeer neerbuigend of zelfs gewoon volledig negerend gedaan over deze min of meer exacte wetenschappen.
Er wordt bijvoorbeeld door de EO een stuk van een BBC-documentaire over het leven op Aarde gecensureerd omdat hierin aangegeven wordt dat er sprake kan zijn van evolutie van het leven.
Nogal logisch dat wetenschappers dan gaan 'terugslaan' door bijbelteksten onder de loep te nemen en te weerleggen. Overigens zonder inquisities of monddoodverklaringen aan diegenen die vasthouden aan De Bijbel.
Ik denk er het mijne over. In discussies met Happel en anderen ben ik daar diep genoeg op ingegaan. Een aantal pagina's terug zijn deze met gemak te vinden.
|
| | ulligan Vedette
Uit: Groningen Posts: 3955 Reg.: 2 oktober 2000 | Ik had deze advertentie boven deze pagina, erg toepasselijk 

|
| | boca junior Talent
Uit: rdam Vak: Geen Seizoen Club Card Posts: 76 Reg.: 14 juni 2007 | De historische jezus, kunnen we er iets van weten?
Door bijbelexegeet prof. Peter Schmidt.
Over de zoektocht naar de man van Nazaret en wat we over hem kunnen weten. Vanuit een historisch-wetenschappelijk benadering, want elk jaar zien vele duizenden boeken over Jezus het daglicht. Daarvan halen slechts enkele tientallen een ernstig en betrouwbaar niveau. Aanleiding is de documentaire over de historiciteit van Jezus, onlangs door Canvas uitgezonden. Een bedenkelijke BBC-reeks waarin feiten en fictie door elkaar werden gehaald. Een reactie van deskundigen kon uiteraard niet uitblijven. De Professoren Peter Schmidt en Etienne Vermeersch werden daarom in het TV-programma Trommels en Trompetten uitgenodigd om hun bezwaren uiteen te zetten. Helaas moest dit in een zendtijd waarin zelfs Frank De Boosere zijn weerpraatje nauwelijks kwijt kan. Peter Schmidt is verbonden aan het seminarie in Gent en tevens lesgever aan priesters-in-opleiding. Schmidt staat bekend als een gezaghebbend bijbelgeleerde die de problemen rond de historische Jezus bijzonder goed kent.
Jezus en de historische kritiek: een bewogen verhaal.
Eeuwen lang bekommerde men zich niet om een kritisch wetenschappelijke benadering van Jezus. Begrijpelijk. De historische wetenschap is nog jong. Sociaal en psychologisch was zoān benadering bovendien ook niet denkbaar zolang Jezus exclusief de cultfiguur van het christendom was. Zijn status was niet te vergelijken met die van andere mensen, viel gewoon niet onder dezelfde categorieĆ«n. Christus was geen voorwerp van onderzoek, maar van geloof, liefde, verering en aanbidding. Het kritisch-wetenschappelijke onderzoek naar de figuur van Jezus is een kind van de Verlichting en van de Romantiek. De Romantiek, paradoxaal genoeg zelf ook een product van de Verlichting, heeft door haar belangstelling voor oude geschiedenis en tradities de historische kritiek in de loop van de 19e eeuw in steeds sneller tempo doen vooruitgaan. Sedert Gotthold EphraĆÆm Lessing in 1778 een nog onuitgegeven stuk van Hermann Samuel Reimarus, een in 1768 gestorven talenprofessor uit Wolfenbüttel, publiceerde (1), heeft de stroom van literatuur over het onderwerp omzeggens niet meer stil gestaan. Reimarus had een vlijmscherpe kritiek gebracht op het gangbare religieuze beeld van Christus, en geprobeerd om vanonder de vele lagen legende en dogma de naakte historische realiteit tevoorschijn te halen. De conclusie van zijn lange stuk kwam, te kort gezegd, hierop neer: Jezus had de politieke bevrijding van IsraĆ«l op het oog gehad, maar zijn ideaal was jammerlijk mislukt en hij werd gekruisigd. Als substituut voor het mislukte aardse ideaal hadden de leerlingen er dan maar een bovennatuurlijke geschiedenis van gemaakt en die bleek achteraf een immens succes.
Reimarus had het zelf niet gewaagd zijn stuk te publiceren. Dat deed Lessing na zijn dood. Het boek had het effect van een bom, en bracht stormachtige reacties teweeg. Maar het hek was van de dam. De hele negentiende eeuw door verschenen boeken en studies over de historische Jezus. Zij laten ons de grote namen na van J.G. Herder, D.F. Strauss, B. Bauer, E. Renan e.v.a. In 1906 kwam echter een einde aan die eerste queeste, toen Albert Schweitzer, de latere Nobelprijswinnaar van LambarĆ©nĆ©, een werk publiceerde dat beroemd bleef: āVon Reimarus zu Wrede. Die Geschichte der Leben Jesu-Forschung.ā Hij betoogde daarin dat men de historische figuur van Jezus eigenlijk niet meer echt kon terugvinden, en toonde aan dat alle moderne auteurs van Jezus eigenlijk een projectie maakten van hun eigen idealen en waarden. Jezus was beurtelings een romanticus, een socialist, een universeel denkend filosoof, een apocalypticus enz... De queeste stokte enkele decennia. Toch was Schweitzer te pessimistisch geweest. De historische kritiek van de 19e eeuw had wel degelijk enkele goede resultaten opgeleverd, al was het maar door het verfijnen van de criteria van de historische kritiek en de tekstkritiek, en door de bewustmaking van het belang van de toen snel groeiende archeologie van het Midden-Oosten. Maar inderdaad - en hoe kon het anders? - de studie van de historische Jezus droeg, zoals alle geschiedschrijving van die tijd, de last van de ideologische beĆÆnvloeding. Wat Jezus betrof was het bovendien dubbel zo moeilijk om objectief te zijn omwille van de eeuwenoude erfenis die men uit de kerkelijke cultus, devotie en dogmatiek meedroeg, een erfenis die de cultuur in al haar poriĆ«n doordrenkte. Er was ook veel emotionele tegenstand van de kant van kerkelijke instituten en gelovigen. Men kon het psychologisch uiterst moeilijk plaatsen dat Jezus Christus uit zijn goddelijke status āgedegradeerdā kon worden tot object van historisch onderzoek, naast Ramses, Alexander, Caesar of Karel de Grote. Het meeste onderzoek in de 19e eeuw werd dan ook geleverd door liberale protestantse exegeten en historici, of door intellectuelen die de banden met de kerkelijkheid min of meer hadden doorgeknipt.
De tweede grote golf van onderzoek naar de historische Jezus kwam er in de jaren vijftig van de vorige eeuw onder impuls van de leerlingen van Rudolf Bultmann. Bultmann zelf achtte de kennis van de historische Jezus irrelevant voor het geloof, maar mensen als Ernst KƤsemann, Günter Bornkamm, Wolfhart Pannenberg, Ernst Fuchs en Wolfgang Trilling achtten het historische onderzoek juist erg belangrijk, ook voor het geloof, omdat het voorkwam dat Jezus uitsluitend tot een mythe, een symbool van universele religieuze en ethische waarden gereduceerd zou worden. De studies uit die tijd profiteren uiteraard al van de enorme vooruitgang van historische kritiek en archeologie, en betekenen een grote stap voorwaarts ten overstaan van de 19e eeuw, niet in het minst omdat ook joodse geleerden zoals Geza Vermes of David Flusser zich actief met de Jezusfiguur gingen bezighouden. Leeuwendeel van zowel de eerste als de tweede golf moet men in het Duitse taalgebied zoeken. Een derde golf, vaak āthe third Questā genoemd, kwam op gang in de jaren negentig en duurt momenteel onverminderd voort. Het Angelsaksische taalgebied is daarin nu minstens even belangrijk geworden als het Duitse. Men mag zeggen dat in de beste publicaties - en dat zijn er heel wat - alle registers van de goede historische kritiek in totale vrijheid bespeeld worden, wat een pak uitstekende literatuur oplevert. Met name speelt een veel accuratere kennis van het joodse milieu ten tijde van Jezus mee. Denken we bijvoorbeeld maar aan de nieuwe kennis die de in 1947 ontdekte rollen van de Dode Zee bijbrachten, ook al reppen ze met geen woord rechtsreeks over Jezus of het christendom. Belangrijke nieuwe inzichten in de sociologie van het toenmalige Palestina hebben licht geworpen op de situatie van Jezus en zijn leerlingen. Auteurs als Gerd Theissen, John Dominic Crossan en Markus Borg hebben hun Jezusreconstructie sterk laten beĆÆnvloeden door hun visie op de maatschappelijke structuren en bewegingen van toen. Maar zoals voor alle antieke (Ć©n trouwens ook moderne) personages zijn er heel wat onopgeloste divergenties en, wat men voor de figuur van Jezus kan verwachten, er verschijnen ook massaās pulp, gaande van complottheoriĆ«n over esoterie naar je reinste history-fiction. Het jammere is wel dat dergelijke ondingen veelal sneller vertaald en verspreid worden dan de ernstige lectuur, want ze lezen vlot, ze zijn spannend, je hoeft helemaal niet gehinderd te worden door enige kennis van zaken, en ze zijn lucratief.
In deze enkele bladzijden is het onmogelijk om een stand van zaken in verband met het historisch onderzoek naar Jezus weer te geven. Het is te immens en te complex. Wat ik wil doen is enkele in mijn ogen uiterst belangrijke topics vermelden, elementaire zaken waarvan men op de hoogte moet zijn wanneer men zich met dit onderzoek inlaat.
De criteria.
Elk wetenschappelijk historisch onderzoek laat zich leiden door een aantal strenge rationele criteria waardoor het mogelijk is fictie of legende van historische feitelijkheid te onderscheiden. Men moet daarbij wel in acht nemen dat interpretatie van teksten altijd moeilijk blijft, en dat ons steeds een groot aantal gegevens zullen ontsnappen. Dat is reeds het geval bij de hedendaagse geschiedenis - denk maar aan de lacunes bij de reconstructie van feiten en motieven i.v.m. de Tweede Wereldoorlog of bij een misdaad -, maar voor antieke figuren nog veel meer. De historicus zal zich daarom zelden wagen aan uitspraken in het register van āzeker weten' (tenzij voor gebeurtenissen en objecten waarover nog rechtstreekse informatie bestaat), maar meestal in het register van āgraden van waarschijnlijkheidā.
Ook voor gelovige onderzoekers is het sinds lang een evidentie geworden dat het historische onderzoek naar Jezus zich principieel aan precies dezelfde criteria moet houden als bijvoorbeeld het onderzoek naar Marx of Hitler. Religieuze overtuigingen kunnen dit onderzoek niet sturen. Antireligieuze evenmin. Er bestaan heel wat criteria, die onderling kunnen verschillen naargelang de aard van het bronnenmateriaal waarover men beschikt. Er is bijvoorbeeld een sterk verschil tussen enerzijds nog bewaarde archeologische en epigrafische bronnen (stenen inscripties) en anderzijds literaire bronnen die gebaseerd zijn op mondelinge getuigenis en traditie en die zelf reeds blijk geven van verregaande interpretatie. Wat Jezus betreft zijn we volkomen op dit tweede soort bronnen aangewezen. Het betekent echter niet a priori dat dergelijke bronnen van elke historische geloofwaardigheid verstoken zouden zijn. Maar juist daarom is het nodig om de criteria van historiciteit zo accuraat mogelijk te hanteren. Voor ons onderwerp zijn de belangrijkste wellicht: het criterium van verlegenheid of contradictie; van discontinuĆÆteit en/of originaliteit; van meervoudig onafhankelijke getuigenis; van coherentie; van verwerping en executie (specifiek voor Jezus). Als secundair kan men vermelden: criterium van āsporen van Arameesā in de bronnen; ācouleur localeā; ālevendige verhaaltrantā, ātendenzen van de evoluerende synoptische traditieā en āhistorisch vermoedenā. Geen van deze criteria kan men los van alle andere gebruiken, geen enkel levert op zich strikte bewijzen. Het vermoeden van historiciteit is veeleer evenredig met de convergentie van de verschillende criteria. Dit geldt ook voor het historisch onderzoek van alle andere figuren uit de Oudheid waarbij we aangewezen zijn op het getuigenis van anderen. En dat zijn er veel.
Er bestaat ook een gevaar dat men, omwille van de religieuze voorgeschiedenis, voor Jezus een overdreven scepsis aan de dag legt, die men voor andere figuren niet gebruikt. Het is begrijpelijk. De objectiviteit is ten aanzien van figuren als Jezus of Mohammed in beide richtingen (voor en tegen) moeilijker dan bijvoorbeeld ten overstaan van Pepi II, Ambiorix of Chanina ben Dosja. Ik vermeld deze laatste figuren omdat we over hen uiteindelijk nog veel minder weten dan over Jezus, terwijl niemand toch hun historisch bestaan in vraag stelt. Het is zelfs juist wat Ed. P. Sanders stelt, namelijk dat we over de persoon Jezus in bepaalde opzichten zelfs meer weten dan over de persoon van Alexander de Grote. āDe oorspronkelijke levensbeschrijvingen van Alexander zijn allemaal verloren gegaan en ze zijn alleen nog bekend omdat ze door schrijvers uit een veel latere tijd werden gebruikt. De oorspronkelijke bronnen over Jezus zijn niet zo lang na zijn dood geschreven, toen er nog mensen leefden die hem hadden gekend.ā (Sanders 1996). In elk geval stel ik hier met overtuiging dat alleen zij die het dossier niĆ©t kennen het bestaan zelf van het historisch personage Jezus (Jeschoua) van Nazaret nog kunnen loochenen. Maar uiteraard moet elk aspect van het personage aan de criteria van mogelijke verificatie of falsificatie onderworpen worden. Een goede parallel met het probleem van Jezus vinden we bijvoorbeeld in Socrates, die zelf ook geen enkel document nagelaten heeft. We hebben de geschriften van Xenophon, maar het allermeeste komt uit de geschriften van zijn leerling en bewonderaar Plato. Uitmaken wat er aan historiciteit achter diens fameuze dialogen steekt is geen makkelijke klus. De Socrates-interpretatie van Plato kan mutatis mutandis vergeleken worden met de Jezus-interpretatie van de evangelisten. We moeten de kritiek scherp hanteren, maar de eigen interpretatie van Plato of Matteüs sluit historiciteit van herinneringen niet noodzakelijk uit.
De Bronnen
Voor de kennis van Jezus zijn we voor meer dan 90% aangewezen op de vier canonieke evangeliĆ«n (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes). Verder zijn er nog enkele andere gegevens in de andere geschriften van het Nieuwe Testament: vooral in de Handelingen der Apostelen, maar ook nog in de brieven. De gegevens zijn echter minimaal en betreffen hoofdzakelijk de interpretatie van de dood van Jezus en de zogeheten āpaaservaringenā, die in het Nieuwe Testament zelf als verschijningen geduid worden.
Buiten het Nieuwe Testament zijn de gegevens uiterst schaars. Een onafhankelijk bericht over Jezus vinden we misschien bij de belangrijkste joodse historicus van die tijd, Flavius Josephus, maar het werd later ongetwijfeld door christen copiisten bijgewerkt. De korte vermeldingen van Tacitus, Suetonius, Plinius de Jongere en Lucianus van Samosata kunnen onafhankelijk zijn, maar brengen ons eigenlijk niets wezenlijks bij. Noch bij Philo van Alexandriƫ, noch in de zgn. Tussentestamentaire literatuur (joodse niet-bijbelse apocalyptische geschriften), noch in de rollen van de Dode Zee vindt men enig spoor van Jezus. Hetzelfde geldt voor de (veel latere) Talmoed. Al deze literatuur kan ons echter wel helpen om het politieke, sociale en vooral religieuze klimaat van de eerste eeuw beter te begrijpen.
Wat de zogeheten apocriefe evangeliĆ«n betreft - we kennen de titels van een vijftigtal -, ook zij leren ons over Jezus heel weinig tot niets dat als onafhankelijke historische informatie kan gelden. De meeste van deze teksten zijn grotendeels verloren, maar uit de overgebleven fragmenten kunnen we leren dat zij doorgaans met veel zin voor mythologie, magie en fantasie de onbekende aspecten van Jezusā leven invullen (meest uit zijn kinderjaren). Ze dateren alle van na de canonieke evangeliĆ«n en werden vaak op het model van deze laatste geconcipieerd. Sommige ervan hebben grote invloed gehad op de volkse overleveringen. Zo stammen bijvoorbeeld de geboortegrot van Betlehem (waarboven de huidige geboortekerk gebouwd werd) en de namen van Mariaās ouders Joachim en Anna uit het 2e-eeuwse apocriefe proto-evangelie van Jacobus. De os en de ezel in de stal komen uit het zeer late pseudo-evangelie van Matteüs. HƩƩl misschien vinden we enkele minieme historische herinneringen aan Jezus in een fragment van het zgn. evangelie van Petrus, en aan Jezusā woorden in het bekendste van alle apocriefe evangeliĆ«n: het Koptische evangelie van Thomas. Dit laatste werd in 1945 bij het Egyptische dorp Nag-Hammadi ontdekt en is een gnostisch geschrift dat de vertaling is van een 2e-eeuws Grieks origineel. Het kan moeilijk geloochend worden dat de Jezuswoorden van het Thomasevangelie voor een heel groot gedeelte teruggaan op uitspraken uit de toen reeds verspreide synoptische evangeliĆ«n en in gnostische zin omgeturnd werden. Maar het blijft mogelijk dat een paar varianten zouden teruggaan op een onafhankelijke Jezustraditie en ons een historisch woord zouden opleveren dat niet uit de bekende evangeliĆ«n stamt. Het Thomasevangelie bevat verder geen enkel verhaal over Jezus. Biografische bijzonderheden hoeft men er dus niet te zoeken.
De studie van de apocriefen is een must voor elkeen die zich op wetenschappelijke wijze met de historische Jezus wil bezighouden omdat zij ons een beeld geven van de evolutie van de Jezustradities. Maar jammer genoeg worden apocriefe teksten vandaag veel misbruikt voor pseudo-wetenschappelijke complottheorieƫn naast esoterische en gnostische interpretaties van het christendom.
Het literaire probleem van de evangeliƫn
In verband met het onderzoek naar de historische Jezus wil ik in dit artikel een aspect van primordiaal belang aanraken dat zeer vaak over het hoofd gezien wordt, met alle misverstanden vandien. Het volstaat namelijk niet de evangeliƫn aan historische of archeologische kritiek te onderwerpen. Veel belangrijker is een voorafgaande stap, namelijk de literaire kritiek. Het is onmogelijk met kennis van zaken over de historische problematiek van de evangeliƫn te spreken indien men niet op de hoogte is van hun literaire problematiek. Wat zou men denken van iemand die Hamlet als een stuk historische verslaggeving zou analyseren, om dan de exactheid ervan te bekritiseren? Puur verspilde energie... Tonnen polemische literatuur over Jezus maken dezelfde fout: zij behandelen de evangeliƫn eerst als historische documenten, om dan gedesillusioneerd of triomfantelijk te zeggen dat ze fout zitten. Wat de evangelisten willen zeggen - en dat geldt ook voor de teksten van het Oude Testament of de Tussentestamentaire literatuur - kunnen we maar achterhalen wanneer we weten welk soort literatuur zij bedrijven. Gedurende de laatste twee eeuwen heeft de nieuwtestamentische exegese een aantal inzichten ontwikkeld waarvan ik hier enkele verworvenheden formuleer :
alle evangeliƫn werden in het Grieks geschreven, tussen ca. 70 en ca. 100;
geen van de vier canonische evangelisten was een ooggetuige van de feiten;
de evangeliƫn bevatten een zekere hoeveelheid aan biografisch en historisch materiaal, maar kunnen niet beschouwd worden als verslaggeving, biografie of memoires;
evangeliƫn zijn boeken van geloofsverkondiging. Zij vormen een literair genre sui generis, een complexe mengeling van overgeleverde herinneringen, symbolisch-religieuze interpretatie en literair-theologische constructie.
Wat dit laatste betreft wil ik hier twee kapitale aspecten vermelden :
1. De Tweebronnentheorie. Deze theorie werd reeds in 1838 door Weisse en Wilke geformuleerd binnen het kader van de zogeheten āSynoptische Kwestieā, de tak van het onderzoek die zich bezighoudt met de genese en de onderlinge relatie van de evangeliĆ«n. Sinds Holzmann (1863) werd de theorie nooit meer afdoend weerlegd, maar integendeel voortdurend door nieuwe gegevens bevestigd. Zij komt op het volgende neer. Het oudste evangelie is dat van Marcus; het werd geschreven door een joodse christen voor een griekssprekend christelijk publiek, wellicht tussen 66 en 73. Deze tijdsvork heeft te maken met de grote Joodse Oorlog, waarvan men vrij unaniem meent dat Marcus er weet van heeft. Alleen is het nog steeds niet perfect duidelijk of zijn evangelie vóór of na de val van Jeruzalem in 70 geschreven werd. De auteur werd lange tijd vereenzelvigd met de figuur van Johannes Marcus die in de Handelingen der Apostelen en in de brief van Paulus aan Filemon, de brief aan de Kolossenzen en de eerste Petrusbrief vermeld wordt. Volgens de traditie was hij eerst gezel van Paulus geweest en later van Petrus. Toonaangevende exegeten van vandaag (R. Pesch, J. Gnilka e.a.) zouden de traditionele identificatie echter liever opgeven en houden het eerder bij een anonieme christen. In elk geval was de auteur van het Marcusevangelie zelf geen ooggetuige van de feiten, maar baseerde hij zich op overlevering. De hoeksteen van zijn evangelie vormde de traditie (of reeds een geschreven bron?) over de passie van Jezus, waaraan Marcus andere gegevens uit de Jezustraditie toevoegde. Aan het geheel gaf hij een sterke literair-theologische structuur mee.
In het decennium daarop hebben twee verder onbekende auteurs op hun beurt een evangelie geschreven waarvoor zij de tekst van het Marcusevangelie als basisbron gebruikten. Het waren Matteüs, die zijn evangelie schreef voor een gemeente met nog sterk joodse inslag, en Lucas, die schreef voor een compleet gehelleniseerde groep christenen. In de huidige kritische exegese is de overwegende opinie dat Matteüs een jood moet geweest zijn met sterke betrokkenheid op de Tora - een FarizeeĆ«r? Een schriftgeleerde zelfs? - die volgeling van Christus geworden was. Lucas wordt vermeld in de Kolossenzen- en Filemonbrief, en ook in de postpaulinische eerste brief aan Timoteüs. Hij wordt op overwegend stilistische en thematische gronden gehouden voor de auteur van twee werken (of een dubbelwerk): het derde evangelie en de Handelingen der Apostelen. In dat laatste boek schrijft hij enkele secties in de āwijā-vorm, en daaruit heeft men de conclusie getrokken dat hij de gezel van Paulus op diens missiereizen moet geweest zijn. Sedert een artikel van Philipp Vielhauer uit 1951 wordt dit laatste echter ook sterk betwijfeld, en verschillende commentatoren houden ook Lucas voor een verder anonieme christen. Er kan echter geen twijfel bestaan aan het feit dat hij een gehelleniseerd en gecultiveerd man was met een grondige kennis van de Septuagint, de Griekse versie van het Oude Testament.
Matteüs en Lucas maakten van Marcus het dragende skelet van hun Jezusverhaal. Naast Marcus gebruikten zij nog een andere, oudere geschreven bron: een verzameling (vademecum?) met uitsluitend overgeleverde uitspraken van Jezus. Deze bron staat nu bekend als de Logienquelle of āQuelleā (Q). Zij voegden de verschillende uitspraken vrij in hun basistekst in en schiepen er narratieve kaders en inleidingen voor. Ik denk hierbij aan teksten zoals de āZaligsprekingenā, het Onze Vader, grote stukken uit de āBergredeā, de parabel van de talenten en vele andere. Naast die twee hoofdbronnen gebruikten Matteüs en Lucas ook nog ander traditiemateriaal, maar ze grepen ook creatief in het materiaal in. De eigen creativiteit van Lucas in de beroemde parabel van de Verloren Zoon of het verhaal van de Emmaüsgangers wordt niet echt meer betwist. In zijn verhaal over de publieke vrouw bij de FarizeeĆ«r Simon (Lc 7, 36-50) maken we zelfs mee hoe hij het verhaal van Marcus over de zalving van Jezus in BetaniĆ« omvormt tot een verhaal van vergeving en liefde.
De figuur van de vierde evangelist is de meest enigmatische onder de evangelisten. Het is mogelijk dat zijn naam inderdaad Johannes was - de naam kwam veel voor -, maar de zoon van Zebedeüs en broer van Jakobus de Meerdere (de Jakobus van Compostella) was hij praktisch zeker niet. Wellicht was hij een leidende figuur van een gemengde kerkgemeenschap die een erg complexe wordingsgeschiedenis had gekend en een vaste stek had gekregen in de stad of de streek rond Efese. Hij schijnt een zeer afstandelijke houding aan te nemen tegenover de joden (Jezus is bij hem overigens niet meer gezonden tot Israël, maar tot de hele wereld) en toch komt hij soms verrassend joods uit de hoek. Of Johannes de drie eerdere evangelisten gekend heeft, is een heet debat onder de vaklui. Maar het mag toch waarschijnlijk heten dat hij de tekst van Marcus en wellicht ook Lucas kende. Op het nu reeds bestaande stramien van een evangelie heeft deze anonieme christen dan rond 95-100 een geniale, maar vaak ook duistere narratieve reflectie geschreven op de betekenis van Jezus. Een soort literaire icoon van Jezus. Heel creatief, heel dramatisch en polemisch ook, en waarschijnlijk nauw inspelend op theologische problemen en dissidenties binnen zijn gemeente. Zijn evangelie werd later nog door andere redactoren licht onder handen genomen en vervolledigd. Zo werd het 21e hoofdstuk aan het oorspronkelijke slot toegevoegd.
De gevolgen van deze inzichten der āTweebronnentheorieā zijn gigantisch. Allereerst betekent het dat de vier evangelisten niet vier onafhankelijke literaire bronnen over Jezus zijn. Mogelijks is er maar ƩƩn onafhankelijke bron, namelijk Marcus, en hangen de drie andere van hem af. De oudste onafhankelijke bron van onze kennis van Jezus zou dan die āQuelleā zijn, en misschien ook een passieverhaal waarop Marcus zich gebaseerd kan hebben. In elk geval zoeken exegeten vandaag de zekerste historische herinneringen aan Jezus in het passieverhaal en in de woorden die uit de Quelle stammen. Maar het is wel duidelijk dat de evangelisten ook zelf redactioneel hebben ingegrepen in die tradities. Om dat te zien hoeven we maar de zaligsprekingen bij Lucas te vergelijken met die bij Matteüs: Matteüs heeft aan het oorpsronkelijke materiaal ongetwijfeld zaligsprekingen āvan eigen cruā toegevoegd om zijn theologische visie op Jezus vorm te geven. Ook het beroemde verhaal van de Emmaüsgangers is een literaire creatie van Lucas. Men vergelijkt evangelisten dus beter met kunstschilders dan met verslaggevers. Evangelisten hebben bijvoorbeeld zelf literaire kaders gecreĆ«erd om losse overgeleverde woorden in de dramatische ontwikkeling van hun verhaal een plaats te geven.
Op dit ogenblik is er niet ƩƩn exegeet meer die nog een cent zou durven verwedden op de letterlijke historiciteit van Jezusā uitspraken in het evangelie van Johannes. De auteur van het vierde evangelie is namelijk in hoge mate een creatief denker, net zoals Paulus, maar met dit verschil dat hij zijn denken in de vorm van een evangelieverhaal heeft gegoten. Wie dit niet beseft zit binnen de kortste keren goed fout. Er zijn bijvoorbeeld nog steeds auteurs te vinden die de woorden van Jezus in het Johannesevangelie lezen alsof Jezus ze werkelijk zo uitgesproken zou hebben en die Jezus dan op grond daarvan een diploma van psychopaat uitreiken. Dit is een schot niet alleen naast de roos, maar naast de schietschijf. De historische Jezus heeft bijvoorbeeld van zichzelf nooit gezegd dat hij God was. Dat is een geloofsbelijdenis van de evangelist en zijn gemeente.
Dat Jezus zichzelf met een bijzondere zending bekleed zag lijkt historisch te zijn, evenals het feit dat hij zichzelf situeerde in een heel speciale relatie tot God, die hij zijn āabbaā, āvaderā noemde. Maar of hij zichzelf ooit als āZoon van Godā of āMessiasā betiteld zou hebben, is een onopgeloste vraag. Op het niveau van de historische Jezus kan de term āZoon van Godā overigens noch biologisch noch trinitair begrepen worden. Het is meer een omschrijving voor een heel speciale, gevolmachtigde relatie met God, zoals die van de koning van IsraĆ«l. De term Messias (= Christus = gezalfde) is op dat niveau ook een titel voor ākoning van IsraĆ«lā; aanspraken op goddelijkheid steken er niet in. Deze laatste opvattingen hebben alle te maken met de interpretatie van de vroege Kerk en de latere Kerkvaders en concilies. Jezus lijkt zichzelf wel aangeduid te hebben met de term āMensenzoonā, een titel die op grond van het boek DaniĆ«l (7,13) mogelijks eschatologisch en messiaans geladen kon zijn.
Het belangrijkste gevolg van de tweebronnentheorie is misschien dit: de verschillen tussen de evangelisten zijn over het algemeen niet te wijten aan verschillende herinneringen van ooggetuigen, maar aan redactionele bewerkingen van literaire bronnen door de evangelisten zelf. De historicus moet rekening houden met deze (erg complexe) literaire problematiek, anders dreigt hij voortdurend verhalen en uitspraken te interpreteren op een taalniveau dat het hunne niet is en ook nooit zo bedoeld was.
2. De intertekstualiteit met de joodse bijbel. Een tweede heel belangrijk punt is dat van de intertekstuele verhoudingen met de Hebreeuwse bijbel of Tenach, bij ons beter bekend als het Oude Testament. Om dit te verstaan dient men het volgende te weten. De hele interpretatie van Jezusā leven, dood en āopstandingā bewoog zich voor zijn leerlingen en voor de eerste christenen binnen het religieuze interpretatiekader van de wereld waarin zij leefden, d.w.z. die van de joodse Schriften. Wat Jezus uiteindelijk betekende had aanvankelijk enkel zin binnen dit particuliere interpretatiekader. Pas later zou de betekenis van Jezus universeel en ook buiten het raam van de joodse denkpatronen gelezen worden. Jezus kon bijvoorbeeld in de ogen van zijn leerlingen niet de Messias zijn indien hij met deze claim niet op een of andere wijze conform de Schriften was. De term Messias had overigens enkel maar zin tegen de achtergrond van het joodse geloof. Concreet betekent dat onder andere dat de evangelisten, net als eerder Paulus trouwens, Jezus helemaal ālezenā tegen de achtergrond van het zogeheten Oude Testament. Het was hun leessleutel voor de gebeurtenissen. Men kan dit goed merken. In de evangeliĆ«n - vooral bij Matteüs en bij Johannes - wordt van heel veel gebeurtenissen en woorden uit Jezusā leven gezegd dat zij plaats vonden āvolgens de Schriftenā of āopdat zou vervuld worden wat door de profeten gezegd isā en varianten daarop. De vroegste traditie, die we bij Paulus terugvinden, zei bijvoorbeeld dat Jezus āgestorven was voor onze zonden volgens de Schriften en verrezen op de derde dag volgens de Schriften...ā(1 Kor 15, 3v.) Het merkwaardige daarbij is, dat als we die teksten dan gaan opzoeken, zij eigenlijk nooit rechtstreeks naar de gebeurtenissen of woorden van Jezus verwijzen. Zij worden er in een soort associatie mee verbonden. Dit heeft niets met bedrog te maken, maar met een courant procĆ©dĆ© van schriftgebruik uit die tijd en later. Men moet het een beetje als volgt bekijken. De Messias moest in de ogen van de gelovige joden per definitie de vervulling brengen van de Schriften. Van het ogenblik nu dat Jezusā leerlingen ervan overtuigd geraakt waren dat de gekruisigde Jezus wel degelijk de Messias was, waren zij er meteen van overtuigd dat hij de vervulling was van de hele Schrift. Dat betekent dat zij al het voorbije onder dit leesraster gingen interpreteren. Concreet illustreren zij die overtuiging door uit de oude geschriften her en der passages aan te halen die associatief goed passen bij feiten en woorden uit Jezusā leven. Ook de joodse schriftinterpretatie deed en doet zulks voortdurend. Er was echter meer, dat erg belangrijk is voor de historische kritiek van de evangeliĆ«n. De verwijzing naar het Oude Testament is niet enkel expliciet, maar ook impliciet. Men las een aantal woorden en feiten als het ware automatisch binnen het voorhanden zijnde interpretatiekader van de Schrift, en conformeerde ze eraan. Dit brengt mee dat men zelfs een aantal feiten vertelt volgens bestaande Schriftteksten, en dat de manier waarop de feiten verteld worden reeds de messiaanse interpretatie ervan weergeven. Dit is bijzonder duidelijk in het passieverhaal. De gebeurtenissen van Jezus proces en dood, ook in de versie van Marcus, geven niet zomaar een geregeld verslag van het werkelijke verloop, maar gebruiken bestaande teksten uit het Oude Testament als een soort mal voor het verhaal. Men kan bijvoorbeeld de invloed van psalm 22 en 69 en van de liederen van de lijdende dienaar uit Jesaja natrekken. We zien ook dat de figuur van Johannes de Doper beschreven wordt in termen die verwijzen naar de profeet Elia, etc...
Wat kunnen we minimaal weten?
Iedere lezer zal begrijpen dat men grondig op de hoogte moet zijn van de complexe materie der tweebronnentheorie en de nog complexere werking van de literaire intertekstualiteit om de historische kritiek van de evangelieteksten te ondernemen. Dit wil niet zeggen dat de evangeliĆ«n op louter fictie berusten, of dat Jezus een fictieve figuur zou zijn, samengesteld uit literaire en symbolische antecedenten. Dit is voor wie het dossier grondig kent zonder twijfel niĆ©t het geval. De beste reden om een basishistoriciteit achter de evangeliĆ«n te aanvaarden is, buiten de aanwending van de hierboven vermelde criteria van historische kritiek, nog steeds het beruchte scheermes van Ockham, dat eenvoudige verklaringen verkiest boven overbodig ingewikkelde. Indien men het Nieuwe Testament en alles wat erop volgt - dit betekent de hele vroegchristelijke geschiedenis en haar gevolgen tot op vandaag - bevredigend zou moeten verklaren vanuit de stelling dat Jezus een fictie is, dan zou deze theorie zo oneindig ingewikkeld moeten zijn om het ācomplot Jezusā te verklaren, dat zij zichzelf hopeloos in de knoei zou werken. Mutatis mutandis wil ik het even vergelijken met De Bello Gallico van Julius Caesar. Voor heel wat gegevens over de Gallische veroveringen is Caesar de enige literaire bron waarover we beschikken. Bovendien is de Gallische Oorlog doorspekt met propagandistische elementen, en staan er manifeste leugens in. Maar ook hier volstaat dit geenszins om de gerelateerde feiten integraal naar het rijk de fictie of propaganda te verwijzen, en wel om dezelfde reden: een verklaring als fictie of complot vergt veel ingewikkelder constructies en hypothesen dan de assumptie van historiciteit.
Tot slot vermeld ik in telegramstijl een aantal gegevens waarover we met voldoende zekerheid kunnen zeggen dat zij historisch zijn. Jezus is geboren ca 7 à 4 vC, rond de tijd dat Herodes de Grote stierf. Hij bracht zijn kinder- en jeugdjaren door in Nazaret in Galilea. Hij werd gedoopt door Johannes de Doper. Hij verzamelde leerlingen om zich heen. Hij onderrichtte in kleine steden en dorpen en op het platteland. Hij predikte de komst van het Rijk Gods. Rond het jaar 30 ging hij naar Jeruzalem voor het joodse paasfeest. Hij verwekte opschudding in de tempel. Hij hield een laatste maaltijd met zijn leerlingen. Hij werd gevangen genomen en ondervraagd door joodse gezagdragers in Jeruzalem. Hij werd terechtgesteld op bevel van de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus. Deze gegevens zijn minimaal, maar kunnen bogen op een grote consensus onder de auteurs van de hedendaagse queeste Een complete lijst van wat we, met verschillende graden van zekerheid, kunnen weten, zou veel langer zijn. Er zijn bijvoorbeeld in de evangeliën erg interessante gegevens op te delven over de houding van Jezus ten overstaan van de Tora, en meer bepaald de sabbat- en reinheidswetten. Over het feit dat hij niet enkel als rondreizende prediker, maar ook als wonderdoener en exorcist gekend was, iets waar de joodse historicus Geza Vermes sterk op insisteerde, en wat interessante reflexies inhoudt over perceptie, interpretatie en legendevorming. Over zijn paradoxale relatie tot het farizeIsme enz... Maar over deze en zovele andere punten handelen natuurlijk de detailstudies in de overvloedige vakliteratuur.
[Dit bericht is veranderd door boca junior (op 21 mei 2008 19:28:49).]
|
| | boca junior Talent
Uit: rdam Vak: Geen Seizoen Club Card Posts: 76 Reg.: 14 juni 2007 |
quote: OrCristian schreef:
Ik vind het een beetje sneu om met alle macht te gaan proberen het Christendom op basis van wetenschap onderuit te halen. Voor mij staat vast dat de Bijbel (en de Koran, en de Tora en weet ik veel wat voor geschriften) boeken zijn waarvan men veel kan leren, niet alleen over hoe te leven maar ook omtrent het verklaren van culturen etc.
Voor mij, als kind van twee redelijk gelovige, protestante ouders, is God iets heel anders dan een entiteit die ergens boven of onder ons 'woont'. God is voor mij het leven, mijns inziens niet iets dat je moet aanbidden maar wel iets om te respecteren. Niet iets om je regels op te laten leggen maar iets om je leven naar in te richten op de manier die jou het beste lijkt voor jezelf en alles en iedereen om je heen.
Het probleem is dat ik er van overtuigd ben dat Jezus en alle andere profeten hiervan ook uitgegaan zijn, maar dat uitspraken op papier gezet zijn en nooit geƫvolueerd. We lezen met zijn allen teksten die duizenden jaren geleden zijn opgeschreven, waarschijnlijk deels verkeerd vertaald zijn en binnen een compleet ander tijdsbeeld bedacht zijn.
Je kunt wel zeggen dat de Islam een achtergesteld geloof is, maar het Christendom is dat net zo goed. Verschil is alleen dat in Christelijke culturen men zich steeds minder is gaan aantrekken van het Christelijke geloof (met enkele uitzonderingen, ga maar eens naar het zuiden van de USA), maar diegenen die nog steeds puur naar de regels van de Bijbel leven zijn net zo goed achtergesteld als degenen die dat naar de regels van de Koran doen.
Conclusie: Darwin of God, waarom niet allebei?
Meesteroplichter degeneratie
In 1997 bracht de Nederlandse creationist Peter Scheele een boek uit met als provocerende titel Degeneratie, het einde van de evolutietheorie. Scheele, elektrotechnicus van opleiding en praktiserend protestant, mocht zijn werk presenteren op Het Elfde Uur, het actualiteitsprogramma van de Evangelische Omroep in Nederland. Voor creationisten uit de lage landen werd degeneratie een welhaast heilig begrip, het wapen dat Darwin de fatale klap zou toebrengen. Maar het boek werd door wetenschappers vakkundig bekritiseerd. In je eentje het evolutionaire bastion slopen en een sterkere verklaring in de plaats stellen is ook nogal ambitieus. Intussen werd het thema degeneratie op discussiefora een hot topic. De Nederlandse bioloog Fedor Steeman werd zo de vaste discussiant van Scheele en resumeert voor dit nummer wat er mis is met Scheeleās argumentatie. (TS) ---- Door Fedor Steeman
De tijden zijn veranderd voor sceptici die zich bezighouden met het creationisme. Deze pseudo-wetenschappelijke stroming, waarbij directe of ābijzondereā schepping door de bijbelse god centraal staat, is gedurende het laatste decennium geĆ«volueerd tot een nieuwe en modernere vorm die lastiger te hanteren is.
In de Verenigde Staten, daar waar de controverse rond de evolutietheorie het hevigst woedt, hebben schrijvers als Philip Johnson en Michael Behe reeds de nieuwe strategie laten zien. Eerder werd de boventoon gevoerd door lieden zoals Henry Morris die krampachtig poogden de letterlijke juistheid van het Genesisverhaal aan te tonen. Dit deden zij voornamelijk door het selectief omgaan met, en het verdraaien van, empirische feiten om die als bewijzen voor een zondvloed en een jonge aarde aan te voeren. Maar die strategie bleek te ongeloofwaardig en in elk geval te doorzichtig na een aantal juridische nederlagen, met name een in 1984, waarbij rechter William Overton het creationisme afwees als āvermomde religieā en om die reden ongrondwettelijk om op openbare scholen onderwezen te worden. In elk geval is de literalistische zienswijze niet gedragen door de meerderheid van de Amerikaanse bevolking of zelfs van de christenen. In de nieuwe strategie wordt daarom het precieze hoe-en-wanneer van de schepping (en door wie) achterwege gelaten. Taak is het zoeken naar āonoplosbareā problemen voor de evolutietheorie, die daarmee onhoudbaar zou worden. Het āalternatiefā, het ingrijpen door een scheppend Opperwezen, zou dan de enige optie zijn die overblijft.
Het in 1997 uitgebrachte boek āDegeneratie - het einde van de evolutietheorieā, van Nederlandse evangelist en publieke persoonlijkheid Peter Scheele, probeert ook zoiets dergelijks. In dit boek wordt uitgebreid geargumenteerd waarom evolutie volgens de huidige kennis van de biologie niet mogelijk zou zijn, en vervolgens wordt er een zogeheten āwetenschappelijk alternatiefā gepresenteerd, dat uitgaat van de schepping. Toch zijn tot op heden de publicaties en activiteiten van Peter Scheele en andere ādegenerationistenā nagenoeg genegeerd door evolutie-experts. Ten onrechte, in de eerste plaats omdat de creationisten zich hierdoor des te meer gesterkt voelen in hun overtuigingen, waar āde evolutionistenā niets van op terug lijken te hebben. In de tweede plaats worden er in Scheeles boek wel degelijk zaken aangekaart die nogal problematisch lijken en om antwoorden vragen. De argumentatie in het boek kan op de geĆÆnteresseerde leek overtuigend overkomen en de onvoorbereide criticus overbluffen. Dat Scheele niet onderschat dient te worden mag wel blijken uit het feit dat hij tijdens openbare discussiebijeenkomsten menig evolutie-expert met de mond vol tanden heeft doen staan. Een behandeling van de punten waarop Scheeles boek mank loopt is dus onontbeerlijk en bij dezen wil ik een aantal van de redeneringen die aan āDegeneratieā ten grondslag liggen, ontsluieren als ongeldig, onjuist en onwetenschappelijk, de hoogdravende pretenties van het boek ten spijt.
Typerend voor het boek is dat het voortdurend naar bepaalde conclusies toe lijkt te werken, die dan vervolgens niet worden getrokken, maar steeds een sterk suggestieve nasmaak achterlaten. De oplettende, kritische lezer moet zich om die reden voortdurend inhouden, want de echte genadeslag blijft steeds uit. Aan de andere kant worden al deze passages wel door Scheeles achterban als zoete koek verorberd. In het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld, passeren allerlei sociale en politieke factoren, die aan het succes van Darwins evolutietheorie zouden hebben bijgedragen, de revue. De onderliggende suggestie is dat dit de eigenlijke redenen zijn voor het succes en niet de wetenschappelijke en empirische gronden. Deze laatste redenen worden in dit hoofdstuk zelfs compleet genegeerd, wat natuurlijk oneerlijk en misleidend is, maar de impliciete conclusie wordt nooit in zoveel woorden uitgedrukt. Bovendien draait Scheele de zaken hiermee om: Het zijn immers in de eerste plaats de creationisten die vanuit hun geloofsopvattingen tot een afwijzing van de evolutietheorie komen, en niet andersom.
De strategie die Scheele verder ontplooit is als volgt: Allereerst wordt zekergesteld dat de lezer de algemene grondbeginselen van de evolutietheorie en die van de moleculaire genetica juist begrijpt. Het lijkt hierbij opmerkelijk dat Scheele de evolutionaire principes van variatie en natuurlijke selectie blijkt te omhelzen, maar schijn bedriegt: Evolutie op kleine schaal -microevolutie- is reeds sinds lange tijd gemeengoed in creationistische kringen. Het is nu juist de grootschalige evolutie van zegmaar een vogel uit een reptiel, en daarmee de gemeenschappelijke afstamming van al het leven op aarde, dat in twijfel wordt getrokken. De creationisten hebben echter nooit duidelijk kunnen aangeven waar de grens tussen micro- en macroevolutie nu eigenlijk ligt. Peter Scheele probeert, in navolging van Michael Behe, de grens te trekken op het moleculaire niveau van de genen en in het bijzonder hun functionele producten: de eiwitten.
Entropie en eiwitrobotten
Voordat het zover is wil Scheele ons eerst nog wat meer uitleggen. Allereerst volgt een nogal vreemd, anekdotisch hoofdstuk (4), waarbij hij ons lijkt te willen vertellen hoe hij tijdens een onderonsje met Philips-topman Cor Boonstra tot een enorm inzicht kwam (wat slechts doet afvragen of Scheele misschien gesponsord is). Als analogie van de levende cel wordt een visie van een robotfabriek gepresenteerd waar robotten voor alle taken staan, inclusief de constructie van elkaar. Dit punt, dat de functionele eenheden van de cel, de eiwitten, zich net als minuscule, gespecialiseerde robotjes gedragen, komt herhaaldelijk terug in het boek, klaarblijkelijk om te onderstrepen dat het leven een ontworpen fenomeen moet zijn. Scheele schijnt daarbij uit het oog verloren te hebben dat een analogie slechts een middel is om een complex fenomeen beter te kunnen begrijpen en dus niet zomaar gebruikt kan worden om wat dan ook over dat fenomeen te bewijzen. Bovendien is het een uiterst misleidende analogie: In een starre, mechanische robotfabriek is er natuurlijk nauwelijks spontane verandering mogelijk in tegenstelling tot het buigzame, organische milieu van de levende cel. Het is nogal paradoxaal dat uitgerekend een gelovig persoon tot zulke uiterst mechanistische beschrijvingen van het leven komt.
Een belangrijke rol wordt verder gespeeld door Scheeles eigenaardige vertolking van het natuurkundige begrip āentropieā en zijn nog eigenaardiger toepassing ervan op de moleculaire genetica. (Hiermee gaat Scheele gelijk ook met een ander creationistisch stokpaardje aan de haal: De tweede wet van de thermodynamica.) Hoe entropie werkt wordt gedemonstreerd aan de hand van een keurig gesorteerde bak met 50 witte ballen onder en 50 rode boven. Herhaaldelijk schudden brengt wanorde in dit systeem, waardoor het uiteindelijk een ongeordende mengelmoes wordt en dat dan praktisch altijd zal blijven. Dit principe wordt zonder blikken of blozen overgebracht naar de reeks van aminozuren die een eiwit uitmaken. De specifieke volgorde van aminozuren heeft een specifieke functie en, zo stelt Scheele, veranderingen hierin door middel van mutaties brengen wanorde in deze oorspronkelijke āordeā. Hij maakt er zelfs allerlei grafiekjes bij, waarbij een aflopende lijn de afnemende orde in een eiwit moet voorstellen onder een toenemend aantal mutaties. Op deze manier schept Peter Scheele een schijn van wetenschappelijkheid, alsof hij dit daadwerkelijk heeft zitten meten. Dat er nog steeds slechts sprake is van theoretische bespiegeling moet echter voortdurend in gedachten gehouden worden. Het tegenargument op het bovenstaande is vrij voor de hand liggend: Het toenemend aantal mutaties brengt de aminozuurreeks slechts steeds verder van uitsluitend de oorspronkelijke reeks af. Eventuele andere reeksen en hun mogelijke functionaliteit worden volledig buiten beschouwing gelaten. Het enige wat de grafieken dus laten zien is hoe eiwitten door mutaties steeds minder op het origineel gaat lijken, en niet wat er precies gebeurt met hun functionaliteit.
Orde versus functionaliteit
Maar hoe zit het eigenlijk met de functionaliteit van een eiwit tegenover dreigende wanorde? Scheele lijkt er bij voorbaat al van uit te gaan dat de oorspronkelijke reeks de beste is, ofwel de meeste āordeā bezit, en elke afwijking daarvan slechts een aftakeling naar wanorde kan zijn. Voor Scheele zijn complexiteit, functionaliteit en informatie allemaal vormen van āordeā. Om dit te illustreren gebruikt hij regelmatig voorbeelden van zinnen als reeksen letters (als analogen van eiwitten als reeksen aminozuren) met een specifieke betekenis (analoog met specifieke functionaliteit). Hiertegenover stelt hij het wanordelijke en niet-functionele, ofwel de nonsens. Het op ƩƩn hoop gooien van orde met informatie en functionaliteit, kortweg ācomplexiteitā, is echter nergens op gebaseerd. Er is namelijk niet zondermeer een objectief onderscheid aan te geven tussen complexe informatie en willekeurige onzin. De zin ādoe mij maar een gebakjeā is in principe net zo complex, en net zo (wan)ordelijk, als het onzinnige āeg raj mineb eja keame doā, dat overigens best iets zou kunnen betekenen in een taal die we niet kennen. Daarentegen verdwijnt alle betekenis van eerstgenoemde zin geheel als deze daadwerkelijk geordend zou worden in bijvoorbeeld alfabetische volgorde: āaaabdeeeeegijjkmmnorā. Orde vernietigt dus eerder informatie dan dat informatie principieel ordelijk genoemd kan worden. Complexiteit is echter noch orde, noch willekeur, maar iets daartussenin. Complexiteit ontstaat juist door de wisselwerking tussen orde en willekeur.
Deze verhoudingen tussen orde, willekeur, complexiteit en informatie zijn uitstekend geĆÆllustreerd door SolĆ© en Goodwin in hun boek uit 1970, āSigns of Lifeā. In dit boek presenteren zij drie patronen die respectievelijk orde, complexiteit en wanorde voorstellen (zie fig. 1). Ieder patroon kan met een specifieke routine gegenereerd worden -zo nodig in een computerprogramma. Voor het ordelijke patroon is een vrij eenvoudige routine nodig, namelijk plaats eerst een zwart vierkantje en dan weer een wit vakje, en herhaal die twee stappen tot het hele vak vol is. Zo ook het wanordelijke patroon, dat gegeneerd kan worden door voor elk vakje een munt op te gooien. Voor het complexe patroon in het midden komt er echter veel meer bij kijken dan zulke simpele routines. Het is duidelijk dat er veel meer informatie nodig is om een dergelijk, complex patroon te vormen. Om deze reden bevat dit patroon dan ook veel meer informatie dan zowel het ordelijke als het wanordelijke patroon. Dat Scheele hiermee de plank volledig misslaat is uiterst ondermijnend voor zijn voorstelling van een oorspronkelijk geschapen ordelijkheid, dat door verval (degeneratie) wanorde zou benaderen. Wanorde is, evenals orde, echter juist een voorwaarde voor complexiteit!
Adoptieve eiwitlandschappen
Dat Scheele zelf toch ook wel aanvoelt dat de orde-naar-wanorde-grafiekjes niet bepaald doorslaggevend zullen zijn, maar welbeschouwd slechts (uiterst suggestieve) uitleg, gebruikt hij in plaats daarvan een meer geavanceerde versie van het argument. Hij presenteert driedimensionale versies van de eiwitgrafieken, die hij āadoptieve eiwitlandschappenā doopt en die zijn geĆ«nt op de, in de populatiegenetica gangbare, āadaptieve landschappenā (fig. 2). Zulke eiwitlandschappen zouden een werkelijkheidsgetrouw beeld moeten scheppen, omdat alle mogelijke aminozuur-reeksen in kaart zouden zijn gebracht.
In het adoptieve eiwitlandschap vormen functionele aminozuurreeksen bergtoppen in een laagland van functieloosheid. Een eiwit dat zich reeds in een dal bevindt, kan niet meer daaruit omhoogklimmen, want op functieloze eiwitten staat immers geen selectie meer en dus kunnen opeenvolgende mutaties het niet meer de juiste kant op sturen. Het kan volgens Scheele wĆØl gebeuren dat twee bergtoppen zo dicht bij elkaar staan dat ze bereikbaar zijn door middel van enkele puntmutaties. Maar volgens hem is dit uiterst zeldzaam, want verreweg de meeste aminozuurreeksen hebben geen enkele functie, zo heeft hij beredeneerd.
Scheeles redeneringen ten spijt worstelen ĆØchte wetenschappers nog steeds met het probleem allerlei mogelijke vormen van eiwitten in kaart te brengen. Simplistische driedimensionale grafieken voldoen bij lange na niet, omdat eiwitten door mutaties ontzettend veel kanten op kunnen springen. Het verkennen van de āproteĆÆneruimteā -protein of sequence space, zoals dat wordt genoemd- staat nog in de kinderschoenen, maar geeft nu al aan dat we onmogelijk kunnen overzien welke mogelijkheden er voor eiwitten openliggen in hun evolutie. De zeggenschap van de āadoptieve eiwitlandschappenā is dan ook zo goed als nihil. Scheele redeneert zich dan wel naar de algehele vorm en plaatst de bergjes onbereikbaar ver uit elkaar in een anders vlak landschap, maar noch hij, noch anderen kunnen dit met zekerheid vaststellen. Het is en blijft een abstracte, voorstelling van zaken, die in het gunstigste geval een hypothese is, die Scheele echter nalaat te toetsen. EssentiĆ«le eiwitten
Tussen neus en lippen geeft Peter Scheele dan ook bij voorbaat al weer toe dat het nog maar de vraag is hoe het landschap er eigenlijk uit ziet: āGlooiende hellingen of steile afgronden?ā Maar hij heeft nòg een argument achter de hand: Eiwitten zijn volgens hem namelijk in te delen in drie categorieĆ«n: neutrale, tolerante, en essentiĆ«le eiwitten. Mutaties (die zogezegd bij voorbaat niets dan aftakeling zouden kunnen veroorzaken) in neutrale eiwitten leveren variatie op, in tolerante eiwitten erfelijke afwijkingen, en in essentiĆ«le eiwitten de dood. Scheele stelt vervolgens zonder blikken of blozen dat, omdat essentiĆ«le eiwitten volgens zijn redenering niet kunnen evolueren, ze ook niet geĆ«volueerd zijn! Immers, een organisme dat een imperfecte versie van een essentiĆ«el eiwit zou dragen, zou ook niet kunnen (over)leven en zijn genen verder doorgeven. De bergtoppen waarop essentiĆ«le eiwitten liggen worden daarom geschetst als steile en spitse pieken, waarnaar geen paden kunnen leiden. Scheele gaat hierbij totaal voorbij aan het feit dat een eiwit (of welke functionele structuur in welke context dan ook) dat nu essentiĆ«el is, dat niet altijd hoeft te zijn geweest. Met andere woorden: Een eiwit kan naar zijn onmisbaarheid toe geĆ«volueerd zijn, waarbij andere celfuncties in toenemende mate ervan afhankelijk werden. Zo gaat dat vaak met innovaties die allerlei nieuwe mogelijkheden openen. Als die nieuwe mogelijkheden eenmaal geĆ«tableerd zijn, is er geen weg terug meer en kan die innovatie niet meer weggenomen worden, zonder dat al het andere ineenstort. De computertechnologie is een analoog voorbeeld van een dergelijke innovatie die ooit niet essentiĆ«el was, maar waar we nu niet meer zonder kunnen, omdat allerlei levensbelangrijke systemen er onderhand van afhankelijk zijn gemaakt. Maar daar is Scheele zich blijkbaar niet van bewust, aangezien hij dit argument beschouwt als de doodklap voor de idee van evolutie door mutaties.
Triomfantelijk over dit āei van Columbusā, dat overigens sterk doet denken aan Michael Behes argument van āniet-reduceerbare complexiteitā, trekt Scheele vervolgens allerlei aanvullende feitjes uit de kast om het allemaal nog wat meer aan te dikken. Zo doet hij een schijnbaar verbazingwekkende ontdekking: In biochemische studieboeken staat aangegeven dat meer dan de helft van de genen niet variĆ«ren! Scheele lijkt hieruit te concluderen dat meer dan de helft van de genen dus essentiĆ«el is, want essentiĆ«le genen kunnen niet variĆ«ren, dus genen die niet variĆ«ren zullen wel essentiĆ«el zijn! In werkelijkheid gaat het hier om genen die homozygoot zijn (dwz. van deze genen bestaan er geen verschillende varianten binnen de soort), maar dat wil nog niet zeggen dat de sequentie van die genen geen variatie laat zien tussen soorten of dat ze zelfs essentieel zijn. Er lijkt geen einde te komen aan dit soort simplistische, ākort-door-de-bochtā redeneringen in het boek.
Evolutie een zekere mogelijkheid?
In het eerste deel van het boek heeft Peter Scheele stap-voor-stap opgebouwd naar een zogeheten ādefinitieve afrekeningā met de evolutietheorie. Alles in beschouwing nemend, kunnen we gerust zeggen dat hij hierin verre van geslaagd is. Zijn grootste zwakte is nog wel dat hij helemaal niet met onderzoeksresultaten komt aanslepen, maar slechts op basis van zijn schildering van het moleculaire milieu van de cel en een portie zogenaamd "gezond verstand" de geloofwaardigheid van de evolutietheorie tot in de wortels probeert aan te tasten. Op de gemiddelde lezer zal het allemaal best overtuigend overkomen, maar een ieder met een kritische, wetenschappelijke instelling zal nooit genoegen nemen met zijn "bewijzen" aan de hand van twijfelachtige analogieĆ«n en ongesubstantiveerde diagrammen.
Ondanks dat Peter Scheele dus tot nog toe niet heeft kunnen aantonen dat ingrijpende eiwitevolutie onmogelijk is, kunnen we daarentegen met zekerheid zeggen dat dit dan juist wel mogelijk is? Wat kunnen we tegen Scheeles betoog inbrengen om de geloofwaardigheid van de evolutietheorie te redden in de ogen van het algemene publiek? Het belangrijkste punt van het boek is nog wel dat het te onwaarschijnlijk is, dat toeval een functioneel eiwit kan opleveren. Dit baseert zich vooral op de oneindige hoeveelheid mogelijkheden die een reeks aminozuren kan aannemen en vervolgens de bewering dat slechts een minuscuul kleine hoeveelheid functioneel kan zijn. Met name dat laatste is interessant, want het wordt door velen klakkeloos aangenomen zonder dat iemand maar ook de moeite neemt om het daadwerkelijk te controleren door middel van onderzoek. Hoe zit het daar eigenlijk mee in werkelijkheid?
We hebben al gezien dat willekeur net zozeer als orde functionaliteit kan aannemen. Dat dit ook geldt voor de functionaliteit van eiwitten staat reeds vast: Het is een onder sommige biochemici bekend feit, dat zelfs een volledig willekeurige streng aminozuren, mits voldoende lang, al een zekere katalytische activiteit kan vertonen, zij het uiterst zwak. Met andere woorden: de kans dat een toevaleiwit wel ergens goed voor is, is redelijk groot. Onlangs gepubliceerde onderzoeksresultaten die dit onderstrepen beschrijven bijvoorbeeld hoe een bacterie met een volledig door elkaar gehusseld enzym plotseling nylon kan verteren en ook hoe in een grote verzameling van willekeurig samengestelde eiwitten onverwacht veel versies aan een bepaalde stof (ATP) kunnen binden. Het is een nog weinig verkend terrein, maar geeft nu al aan hoe gemakkelijk het moet zijn voor nieuwe eiwitten om zich te ontwikkelen.
Zondeval en zelfmisleiding
Peter Scheele zet alles op alles om de evolutietheorie, doorn in het oog van hem en zijn medegelovigen, onderuit te halen. Dit is behoorlijk ambitieus te noemen voor iemand met een hoofdzakelijk technische, en niet bepaald wetenschappelijke achtergrond. Scheele kan zijn eigen verwachtingen duidelijk niet loskoppelen van zijn argumentatie. Het resultaat is een cirkelredenering, waarbij het hele toneel specifiek wordt opgezet om aan de eigen vooringenomen opvattingen te voldoen.
De grondbeginselen van de evolutietheorie kunnen in zijn visie alleen maar het verval van het leven enigszins indammen. Er wordt gesproken van een āMeesteroplichter Mutatieā, die iedereen bij de neus genomen zou hebben, omdat hij in plaats van opwaartse evolutie alleen maar tot verdergaande degeneratie kan leiden. Men moet de betekenis hiervan voor orthodoxe protestanten en evangelische christenen niet onderschatten. Het concept ādegeneratieā past naadloos in het bijbelse begrip van de zondeval, dat uiterst belangrijk is om de onvolmaaktheid van de schepping en daarmee de zondigheid van de mens te rechtvaardigen. De wereld is immers perfect geschapen door de almachtige, goede Schepper, maar door de schuld van de mens zelf, namelijk door het eten van de verboden vrucht, is het in verval geraakt. Het psychologische belang van dit dogma is natuurlijk enorm, zowel op het persoonlijke vlak als het levensbeschouwelijke. Het is daarom meer correct om te spreken van een āMeester-oplichter Degeneratieā.
De vele onzekerheden van de natuurwetenschap die Scheele en andere creationisten aanboren en uitvergroten, bieden voldoende benenruimte om het absurde karakter van hun opvattingen te rationaliseren. Maar dat hele groepen jongeren met deze zelfmisleiding in de maatschappij worden gezet, in plaats van te leren zich oprecht en onvoor-waardelijk in de weten-schap te verdiepen, is en blijft eeuwig zonde.
|
| | De Sigaar Vedette
Uit: Almere Vak: Maastribune - Business seats Posts: 11674 Reg.: 13 maart 2002 | |
|